Verschil tussen Boehm, Oehler en Albert klarinet | Klarinet systemen uitgelegd
Inleiding
Niet elke klarinet is mechanisch hetzelfde opgebouwd. Wie zich verdiept in klarinetsystemen, komt al snel uit bij drie hoofdtypen: het Boehm-systeem, het Albert-systeem en het Oehler-systeem. Die systemen verschillen niet alleen in kleppen en grepen, maar hangen ook samen met verschillende speeltradities, klankidealen en regionale voorkeuren.
Voor de meeste klarinettisten is het Boehm-systeem het bekendst, omdat dit internationaal de standaard is. Toch spelen het Albert-systeem en vooral het Oehler-systeem nog altijd een belangrijke rol, zowel historisch als in specifieke muziekpraktijken. Daarnaast bestaan er ook hybride vormen, zoals de Reform-Boehm, en regionale varianten zoals de Weense klarinet.
In dit artikel lees je hoe deze systemen zijn ontstaan, wat de technische verschillen zijn en welk systeem het beste past bij verschillende soorten spelers.
Inhoudsopgave
De ontwikkeling van klarinetsystemen en hoe de splitsing tussen Boehm en Oehler ontstond
De klarinet ontstond rond 1700 als een verdere ontwikkeling van de chalumeau. (Wie meer wil weten over de voorgeschiedenis van de klarinet, kan ook lezen hoe de chalumeau zich ontwikkelde tot het moderne klarinetinstrument.) Als vroege sleutelfiguur wordt meestal Johann Christoph Denner uit Neurenberg genoemd, die een instrument bouwde met een registerklep, waardoor het kon overblazen en een veel groter bereik kreeg. In de loop van de achttiende eeuw werden steeds meer kleppen toegevoegd. Daarmee werd de klarinet bruikbaarder in orkesten en kamermuziek, maar het instrument bleef technisch nog onhandig: veel tonen vroegen lastige vorkgrepen, de intonatie was ongelijk en sommige toonsoorten speelden duidelijk moeilijker dan andere.
Dat probleem werd in het begin van de negentiende eeuw veel urgenter. Componisten als Mozart, later Weber en Spohr, schreven steeds veeleisender voor klarinet. Klarinettisten moesten in meer toonsoorten overtuigend kunnen spelen, terwijl de bestaande instrumenten daar maar gedeeltelijk aan voldeden. In die context ontwikkelde Ivan Müller (1786–1854) in 1812 zijn 13-kleppige klarinet. Zijn belangrijkste vernieuwing was niet alleen het grotere aantal kleppen, maar vooral dat die kleppen dankzij betere polsters ook echt goed afsloten. Daardoor werd het instrument betrouwbaarder en beter bruikbaar in alle toonsoorten.
Vanuit dat Müllersysteem liepen de ontwikkelingen in de negentiende eeuw niet allemaal in dezelfde richting. Enerzijds ontstonden er instrumenten die de Müller-lijn verder uitwerkten binnen wat later vaak het simple system werd genoemd: een familie van klarinetten die in de basis op Müllers systeem voortbouwde, maar zonder de ingrijpende mechanische herordening van het latere Boehm-systeem. Anderzijds ontstond in Frankrijk juist wel zo’n ingrijpender herordening.
Een belangrijke tussenstap in die Müller-lijn is het Albert-systeem. Dit systeem, verbonden met de Belgische bouwer Eugène Albert (1816–1890), was geen volledig nieuw uitgangspunt, maar een verdere ontwikkeling van Müllers klarinet. Alberts belangrijkste bijdrage was de toevoeging van ringkleppen aan de Müller-klarinet. Historisch gezien staat het Albert-systeem daardoor dichter bij Müller en later Oehler dan bij Boehm.
In Frankrijk kwam de nadruk in de eerste helft van de negentiende eeuw steeds sterker te liggen op vereenvoudiging, logica en technische gelijkmatigheid. Een belangrijke rol speelde daarbij het Conservatoire de Paris. De Franse klarinettist Hyacinthe Klosé (1808–1880) en instrumentenbouwer Louis-Auguste Buffet (1789–1864) zagen in dat de bestaande Müllertraditie mechanisch verbeterd kon worden, maar dat een meer fundamentele herordening van het systeem aantrekkelijker was. Daarom keken zij naar de principes van Theobald Boehm (1794–1881), die voor de fluit al had laten zien dat ringkleppen en gekoppelde mechanismen een instrument logischer en gelijkmatiger konden maken.
Klosé en Buffet werkten hun systeem uit vanaf 1839, en in de jaren 1843–1844 werd het ook officieel vastgelegd. Hun keuze voor het Boehm-systeem was een antwoord op een concreet probleem: hoe maak je de klarinet technisch overzichtelijker, met een mechaniek dat de vingers meer werk uit handen neemt en een betere plaatsing van de toongaten mogelijk maakt?
In Duitsland keek men anders tegen dezelfde problemen aan. Daar bleef men sterker voortbouwen op de lijn van Müller. Een belangrijke stap in die Duitse lijn was de Baermann/Ottensteiner-klarinet rond 1860. Carl Baermann (1810–1885) en bouwer Georg Ottensteiner (1815–1879) voegden onder meer twee extra ringen op het bovenstuk en nieuwe mechanische verbindingen tussen kleppen toe. Daardoor kwamen er meer alternatieve grepen beschikbaar. Zo vormt deze klarinet een belangrijke overgang tussen Müllers 13-kleppige klarinet en het latere Oehler-systeem.
Toen Oskar Oehler (1858–1936) aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw zijn systeem ontwikkelde, bouwde hij dus niet iets totaal nieuws, maar werkte hij een bestaande Duitse ontwikkelingslijn verder uit. Zijn belangrijkste werkzaamheden vallen in de periode rond 1890–1905. Hij voegde extra trillergrepen, alternatieve vingerzettingen en verdere mechanische verfijningen toe. Daarmee sloot zijn systeem aan bij een Duitse speeltraditie waarin veel waarde werd gehecht aan intonatiecontrole, weerstand en een donkerder, meer gecentreerd klankideaal.
Zo ontstonden in de negentiende en vroege twintigste eeuw uiteindelijk twee grote klarinetwerelden. Het Boehm-systeem groeide uit tot het internationale standaardmodel. Het Oehler-systeem bleef vooral geworteld in de Duitstalige klassieke praktijk. Het Albert-systeem past historisch gezien tussen deze twee in als een voortzetting van de oudere Müller-lijn.
De drie belangrijkste klarinetsystemen
Binnen de klarinetwereld zijn drie hoofdsystemen van bijzonder belang: het Boehm-systeem, het Albert-systeem en het Oehler-systeem. Deze systemen verschillen in mechaniek, greepstructuur, boring, speelgevoel en klankideaal. Daarnaast horen ze ook bij verschillende speeltradities.
Het Boehm-systeem is tegenwoordig veruit het meest gebruikte klarinetsysteem ter wereld. Het werd in de negentiende eeuw in Frankrijk ontwikkeld en groeide later uit tot de internationale standaard. Het systeem staat bekend om zijn relatief logische mechaniek, gestandaardiseerde grepen en brede inzetbaarheid.
Het Albert-systeem is historisch verwant aan het oudere Müllersysteem en hoort thuis in de zogenoemde simple system-traditie. Het mechaniek is eenvoudiger dan dat van Boehm of Oehler, maar vraagt meer vorkgrepen en minder gestandaardiseerde vingerzettingen. Tegenwoordig wordt het vooral nog gebruikt in klezmer, volksmuziek en traditionele jazz.
Het Oehler-systeem is de Duitse tegenhanger van Boehm. Het werd aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkeld als een verdere verfijning van de Duitse Müller/Baermann-lijn. Oehler-klarinetten hebben meer kleppen, meer alternatieve grepen en een complexer mechaniek. Het systeem is nog altijd de standaard in een groot deel van de Duitstalige klassieke muziekpraktijk.
Frans en Duits klankideaal
Bij klarinetsystemen gaat het niet alleen om mechaniek en grepen, maar ook om een bepaald klankideaal. Traditioneel wordt vaak onderscheid gemaakt tussen een Frans en een Duits klankideaal.
Het Franse klankideaal wordt meestal geassocieerd met een heldere, directe en flexibele toon. Veel spelers waarderen vooral de snelle respons, de duidelijke articulatie en de goede projectie. De toon spreekt gemakkelijk aan, blijft goed gedefinieerd in snelle passages en laat zich relatief makkelijk kleuren. Daardoor is dit klankideaal bijzonder geschikt voor spelers die waarde hechten aan wendbaarheid, transparantie en precisie.
Het Duitse klankideaal legt juist meer nadruk op diepte, compactheid en rust. Veel spelers ervaren deze klank als donkerder, ronder en meer gecentreerd, met meer homogeniteit tussen de registers. Ook het gevoel van weerstand speelt daarbij een rol: het instrument geeft vaak meer tegendruk, waardoor toonvorming en frasering stabiel en gecontroleerd aanvoelen.
Dat onderscheid is in de praktijk natuurlijk niet absoluut. Ook moderne Boehm-klarinetten kunnen warm en donker klinken, terwijl Duitse systemen niet per definitie zwaar of gesloten hoeven te zijn. Toch helpt het onderscheid om de achterliggende speeltradities beter te begrijpen. Het Boehm-systeem is historisch sterk verbonden met de Franse speelcultuur, terwijl het Oehler-systeem voortkomt uit de Duitse klankopvatting.
Belangrijke vertegenwoordigers van de systemen
Wie het Boehm-systeem wil horen in de hedendaagse praktijk, kan goed beginnen bij Martin Fröst en Sharon Kam. Beiden zijn internationaal bekende Boehm-spelers met een ruime discografie en veel gemakkelijk vindbare opnamen.
Voor de Duitse/Oehler-traditie zijn Sabine Meyer en Wenzel Fuchs goede hedendaagse vertegenwoordigers. Sabine Meyer hoort duidelijk thuis in de Duitse klarinetschool, en van zowel haar als Wenzel Fuchs zijn veel opnamen beschikbaar.
Bij het Albert-systeem is het moeilijker om hedendaagse vertegenwoordigers aan te wijzen, omdat dit systeem vandaag veel minder voorkomt dan Boehm of Oehler. Het Albert-systeem leeft vooral voort in historische opnamen en in speeltradities zoals klezmer en vroege jazz.
Vergelijking van de systemen
Van links naar rechts op de afbeelding: Oehler, Boehm, Albert en Reform-Boehm.
De belangrijkste verschillen tussen de drie hoofdsystemen zitten in:
- de opbouw van het mechaniek
- het aantal kleppen en ringen
- de mate van standaardisering
- de boring en weerstand
- het klankideaal
- de muzikale traditie waarin het systeem wordt gebruikt
Overzicht van eigenschappen
| Eigenschap | Boehm | Albert | Oehler |
|---|---|---|---|
| Oorsprong | Frankrijk (ca. 1840, Klosé & Buffet) | Duitsland/België, 19e eeuw | Duitsland, ca. 1900 |
| Aantal kleppen | 17–18, uitbreidbaar | 13–15 | 19–22 of meer |
| Ringen | 6 | 4 | 5 of meer |
| Mechaniek | Ringkleppen, relatief eenvoudig | Eenvoudig, minder gestandaardiseerd | Complex, veel extra voorzieningen |
| Grepen | Symmetrisch en gestandaardiseerd | Meer vorkgrepen | Veel alternatieve grepen |
| Boring | Vaak 14,6–14,8 mm | Vaak rond 14,5 mm | Duitse boring, vaak met meer weerstand |
| Klankkarakter | Helder, direct, flexibel | Direct, expressief | Donker, warm, compact |
| Gebruik | Wereldwijd, breed inzetbaar | Klezmer, volksmuziek, traditionele jazz | Duitstalige klassieke traditie |
Detailbeschrijving per systeem
Boehm-systeem
Het Boehm-systeem is voor de meeste spelers de bekendste en meest praktische keuze. De standaard Boehm-klarinet heeft meestal 17 kleppen en 6 ringen, al bestaan er uitgebreidere varianten. De boring ligt vaak rond 14,6–14,8 mm, afhankelijk van bouwer en model. Moderne Boehm-klarinetten kunnen cilindrisch, licht conisch of polycilindrisch zijn opgebouwd.
Kenmerkend voor het systeem zijn de zes ringkleppen, een relatief symmetrische greepsystematiek en een mechaniek dat voor veel spelers logisch en efficiënt aanvoelt. Daardoor is het systeem technisch toegankelijk en breed inzetbaar. Het wordt gebruikt in klassieke muziek, harmonie, fanfare, kamermuziek, jazz en lichte muziek.
De voordelen van het Boehm-systeem zijn duidelijk:
- veel keuze in instrumenten en merken
- veel lesmateriaal en docenten
- een breed aanbod aan mondstukken en rieten
- internationaal gestandaardiseerde grepen
- relatief eenvoudig onderhoud en goede verkrijgbaarheid van onderdelen
Albert-systeem
Het Albert-systeem is een verbeterde variant van het oudere simple system en is historisch nauw verwant aan het Müllersysteem. Het werd in de negentiende eeuw verder ontwikkeld door Eugène Albert.
Albert-klarinetten hebben meestal 13 tot 15 kleppen en 4 ringen. Vergeleken met Boehm is het mechaniek eenvoudiger, maar de speler moet vaker gebruikmaken van vorkgrepen en minder gestandaardiseerde vingerzettingen. Juist daardoor heeft het systeem een eigen speelgevoel en karakter.
Hoewel het Albert-systeem in de klassieke wereld grotendeels is verdrongen door Boehm en Oehler, wordt het nog steeds gewaardeerd in stijlen als klezmer, volksmuziek en traditionele jazz. Daar speelt niet alleen de historische traditie een rol, maar ook het directe, expressieve karakter van het instrument. Glissando’s en bepaalde versieringen laten zich op Albert vaak heel natuurlijk uitvoeren.
Oehler-systeem
Het Oehler-systeem is de Duitse tegenhanger van het Boehm-systeem. Het werd aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkeld door Oskar Oehler als een verdere verfijning van de Duitse Müller/Baermann-traditie.
Een Oehler-klarinet heeft meestal 19 tot 22 kleppen, soms nog meer, en beschikt over meer trillergrepen en alternatieve vingerzettingen dan een standaard Boehm-klarinet. Het mechaniek is daardoor complexer. Ook de boring en het mondstukconcept verschillen van de Franse traditie.
Het systeem wordt vooral geassocieerd met een donkere, warme en compacte klank, veel controle over intonatie en een groot gevoel van weerstand en houvast. Tot op de dag van vandaag is het Oehler-systeem de standaard in Duitsland en in delen van Oostenrijk en Zwitserland, vooral binnen de klassieke muziek en orkestpraktijk.
Hybride en uitgebreide systemen
Naast de drie hoofdsystemen bestaan er ook hybride en uitgebreide varianten.
Full Boehm
De Full Boehm is een uitgebreide versie van het standaard Boehm-systeem. Deze klarinet heeft meestal 20 tot 21 kleppen en biedt extra trillertoetsen, alternatieve pinktoetsen en vaak ook een uitbreiding naar lage Es/E♭. Daarmee worden bepaalde technische beperkingen van het standaard Boehm-systeem opgevangen.
Full Boehm-klarinetten bieden extra mogelijkheden, maar zijn ook zwaarder, complexer en minder algemeen verkrijgbaar.
Reform-Boehm
De Reform-Boehm is een hybride systeem dat eigenschappen van het Boehm- en Oehler-systeem probeert te combineren. In grote lijnen behoudt de speler de Boehm-grepen, maar worden boring, mechaniek en klankopvatting meer in Duitse richting ontwikkeld.
Reform-Boehm-klarinetten zijn vooral interessant voor spelers die de vertrouwde Boehm-vingering willen behouden, maar op zoek zijn naar een donkerder, meer gecentreerd en Duits georiënteerd klankkarakter. Ze worden vaak gebouwd door gespecialiseerde Duitse fabrikanten zoals Wurlitzer en Schwenk & Seggelke.
Lees hier meer over de Reform-Boehm klarinet
Dietz-hybride
Ook de zogenoemde Dietz-hybride combineert elementen uit verschillende tradities. Zulke instrumenten richten zich vooral op professionele spelers die specifieke wensen hebben op het gebied van klank, mechaniek en ergonomie.
De Weense klarinet
Naast de drie hoofdsystemen bestaat er ook een bijzondere regionale variant: de Weense klarinet. Deze wordt vrijwel uitsluitend gebruikt in ensembles zoals het Weens Filharmonisch Orkest en het Weens Symfonieorkest.
De Weense klarinet volgt een eigen ontwikkeling die teruggaat op de Müllertraditie, maar bevat aanpassingen die specifiek zijn voor de Oostenrijkse speelcultuur.
Technische kenmerken
- Systeem: gebaseerd op een Müller-variant, geen Boehm of Oehler
- Toetsen: meestal 13–15, met specifieke trillertoetsen en vorkgrepen
- Boring: nauwe cilindrische boring rond 14,5 mm
- Mondstuk: Weens mondstuk met lange facing en kleine tip-opening
- Stemming: vaak rond 445 Hz
Speelgevoel en klank
- Klank: warm, zangerig, expressief en kernachtig
- Speelweerstand: hoger dan bij veel Boehm-klarinetten
- Embouchure: vraagt een eigen benadering
De Weense klarinet is dus niet alleen een technisch systeem, maar ook een sterk cultureel bepaalde speeltraditie.
Welk klarinetsysteem past bij jou?
Voor de meeste spelers is het antwoord eenvoudig: Boehm is de meest logische keuze. Het systeem is internationaal de standaard, er is veel lesmateriaal beschikbaar en het aanbod aan instrumenten is groot.
Een Albert-klarinet is vooral interessant als je speelt in stijlen waarin dit systeem historisch of muzikaal een duidelijke meerwaarde heeft, zoals klezmer of traditionele jazz.
Een Oehler-klarinet is vooral geschikt voor spelers die zich bewust willen bewegen binnen de Duitse klassieke traditie, of heel gericht zoeken naar een donkerder, compacter klank- en speelideaal.
Een Reform-Boehm kan interessant zijn als je Boehm wilt blijven spelen, maar je wel aangetrokken voelt tot een meer Duits georiënteerde boring en klankopvatting.
Conclusie
De keuze voor een klarinetsysteem hangt af van techniek, speeltraditie, klankideaal en praktische overwegingen.
- Boehm is internationaal de standaard en het meest veelzijdig
- Albert leeft voort in specifieke stijlen zoals klezmer en traditionele jazz
- Oehler is de klassieke keuze binnen de Duitstalige traditie
- Reform-Boehm en andere hybriden proberen eigenschappen van verschillende systemen te combineren
- De Weense klarinet laat zien dat ook regionale tradities nog altijd een eigen plaats hebben
Wie de verschillen tussen deze systemen begrijpt, kijkt niet alleen anders naar het mechaniek van de klarinet, maar ook naar de muzikale tradities die achter dat mechaniek schuilgaan.
Ook interessant
Wat is de invloed van boring op klank en respons?
Waarom overblaast een klarinet in de duodecime overblaast
Veelgestelde vragen (FAQ)
Welk klarinetsysteem is het beste voor beginners?
Voor de meeste beginners is het Boehm-systeem de beste keuze. Het is het meest gangbare systeem, er zijn veel docenten en lesmethodes voor beschikbaar, en het onderhoud is relatief eenvoudig.
Kan ik overstappen van Boehm naar Oehler (of omgekeerd)?
Ja, dat kan. Wel vraagt het tijd, omdat de grepen, boring, weerstand en klankaanpak duidelijk verschillen. Begeleiding van een docent is daarbij verstandig.
Wat is het verschil tussen het Boehm- en Oehler-systeem?
Het Boehm-systeem is eenvoudiger en gestandaardiseerder. Het Oehler-systeem heeft meer kleppen, meer alternatieve grepen en een andere boring en klankopvatting.
Waarom wordt het Albert-systeem nog gebruikt?
Omdat het in bepaalde stijlen, zoals klezmer en traditionele jazz, nog steeds een eigen muzikale meerwaarde heeft. Het directe karakter en de speeltechnische mogelijkheden maken het daar aantrekkelijk.
Wat maakt de Weense klarinet uniek?
De Weense klarinet heeft een eigen mechaniek, boring, stemming en mondstuktraditie. Ze is sterk verbonden met de Oostenrijkse orkestcultuur en wordt vrijwel alleen daar gebruikt.
